Woonwagenbewoners in de wetenschap

Het is geen geheim dat ik geïnteresseerd ben in de geschiedenis van de Nederlandse woonwagenbewoners. Vooral het concept van beeld- en identiteitsvorming boeit mij enorm. Ik overwoog zelfs om komend studiejaar een masteropleiding in Rotterdam te gaan doen, zodat ik wetenschappelijk onderzoek ernaar kan doen. Dit idee staat voorlopig even in de ijskast, maar ik las me wel alvast in. Er bleek ontzettend weinig onderzoek naar woonwagenbewoners te zijn gedaan. Hieronder citeer ik uit een tweetal wetenschappelijke artikelen.

“Woonwagencentra en hun bewoners zijn vaak in het nieuws. Tegenwoordig gaat het veel over hun verzet tegen het zogenoemde ‘uitsterfbeleid’ dat gemeente voeren.

[…]

Annemarie Gottaar rekent in haar proefschrift af met verschillende ‘bakerpraatjes’ over de herkomst van woonwagenbewoners of reizigers, die in lang gezaghebbende studies maar bleven opduiken, zoals de afstamming van buitenlandse huurlingen, zwervers en zigeuners die hen fundamenteel zou onderscheiden van de herkomst van de Nederlandse bevolking als geheel (Cottaar 1996; vgl. Wernink 1959; Bruggemeijer 1980). Dit onderscheid is er feitelijk niet. Woonwagenbewoners zijn overwegend van Nederlandse en Duitse komaf: keuterboeren, landarbeiders en turfstekers die uit armoede van plaats naar plaats begonnen te trekken en mensen die beroepen beoefenden die traditioneel al rondtrokken langs stad en land om een kleine nering te verdienen, zoals vilders en slachters, scharenslijpers, mandenvlechters, stoelenmatters en muzikanten. Deze ‘reizigers’ sliepen onderweg en sommigen verwierven zich in de tweede helft van de negentiende eeuw een woonwagen. Tot ver voorbij de Tweede Wereldoorlog bleven de ‘reizigers’ traditionele ambachten en ambulante beroepen uitoefenen.

[…]

Gedurende de laatste decennia van de negentiende eeuw begonnen de centrale overheid en de lokale autoriteiten het bestaan van de nomadische groepen steeds meer als een probleem te ervaren, met negatieve beeldvorming en etikettering als gevolg. Niet zozeer omdat woonwagenbewoners van buitenlandse origine zouden zijn, maar omdat ze in een woonwagen woonden (Lucassen 1990, p. 56-57), over onvoldoende middelen van bestaan zouden beschikken om zich ergens te kunnen vestigen, en omdat zij een zekere mate van ongrijpbaarheid hielden in een samenleving die in toenemende mate gestructureerd werd.

[…]

Hoewel de (vermeende) aanslag op de armenkas in werkelijkheid nogal meeviel, was de angst hiervoor doorslaggevend voor de beeldvorming en voor de inkleuring van het woonwagenbeleid.

[…]

Feitelijk versterkte de Woonwagenwet van 1968 de behandeling van woonwagenbewoners als een aparte bevolkingsgroep. Bovendien werd die beroofd van vrijwel alle traditionele manieren om inkomsten te verwerven, omdat die immers juist verbonden waren met hun ambulante bestaan.

[…]

Buiten kijf staat in elk geval dat de wet van 1968 onder woonwagenbewoners de ervaring er niet bij te horen, negatief geëtiketteerd te worden en de afkeer van overheid en burgermaatschappij versterkte (Cottaar 1996, p. 277-282; Rath 1991; Khonraad 2000).

[…]

Mede als gevolg van het overheidsbeleid kregen de ‘kampers’ het etiket opgeplakt van een deviante subcultuur (Khonraad 2000).

[…]

De betrokkenheid van woonwagenbewoners bij criminaliteit vormde in de jaren tachtig een van de redenen voor de lancering van een landelijk beleid om de grote regionale kampen af te bouwen (deconstructie) en de bewoners ervan met dwang en verleiding te bewegen om naar kleine locaties te verhuizen, waar ze bovendien werden verondersteld gemakkelijker te kunnen integreren. Dit beleid schiep zijn eigen monsters, temeer omdat van een ‘sociale agenda’ feitelijk geen sprake was.”

Bron: R. Witte en H. Moors. ‘Cultureel erfgoed én crimineel probleem: over de subcultuur van woonwagenbewoners’. In: Justitiële verkenningen, jaargang 43, nr. 2, 2017.

Deze blogpost gaat verder onder de foto.

‘Aankomst van de pont aan de Blauwpoortsplein in Dordrecht’, ±1930-1935. (bron)

“Most of them live in large camps which are purposely separated from the rest of society. Although there are such camps all over de Netherlands, the caravan dwellers form a closed community.

[…]

Both outsiders and caravan dwellers build their image of each other on media reports. As a results, outsiders see caravan dwellers as knife stabbers on the dole, and caravan dwellers loop upon the rest of society as adulterous, child-raping drug addicts.

[…]

The majority of the caravan dwellers are catholic, although they are not concentrated in the catholic part of the Netherlands. […] The caravan dwellers have their own language, like the Tinkers’ cant, which was originally used to exclude outsiders, but which is now seldom spoken.

[…]

A lot has been written about the caravan dwellers, but mainly relating to contemporary problems. Very little research has been done on the origin of the group. There are almost no written sources that can be used for such a study.

[…]

I must say more about the image caravan dwellers have of themselves. It is a two-fold type of collective self image. On the one hand they are distinctly aware of the image the rest of society has of them. […] On the other hand, the caravan dwellers consider their group to be better than the rest of society, although they would not easily admit this to an outsider.

[…]

A common past helps to build up a group identity. I think that, lacking a common past, the caravan dwellers transformed the official explanation into a collective memory.

[…]

Collective memory is a mirror of contemporary social relationships rather than a relfection of the past.”

Bron: Marlou Schrover. ‘Memory and Identity of Dutch Caravan Dwellers’. In: Oral History, vol. 18, no. 1, 1990.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *