‘Dat zij niet in staat zijn tot betalen’

Mijn opa groeide op in bittere armoede. Hij droeg de schoenen van zijn zus, omdat er geen geld was voor een vervangend paar. Door het interview met mijn opa’s achterneef begreep ik dat de Kroonens oorspronkelijk een welgestelde familie vormden, maar dat mijn overgrootvader Casparus een ‘armoedzaaier’ was die te veel dronk. Dit zou de armoede verklaren. Echter, toen hij op z’n tweeëntwintigste met zijn eerste vrouw Bastiana van Beek trouwde, bleek mijn overgrootvader al geen vermogen te hebben. De huwelijkse bijlagen verklappen namelijk dat het stel ‘in behoeftige omstandigheden’ verkeerde ‘zoo dat zij niet in staat zijn tot het betalen van eenige zegel, leges, griffie en registratierechten, voor de stukken benoodigd voor het aangaan van een huwelijk’ en dat ‘voor zooveel hem bekend is, in zoodanige behoeftige omstandigheden verkeert, dat zij niet in staat zijn tot het betalen van de hiernevens bedoelde kosten’.

Het lijkt me lastig te achterhalen wat en óf er in 1910 een duidelijke armoedegrens was. Daarom besloot ik ‘Arm en fatsoenlijk: het beeld van de armen in Nederland omstreeks 1900’ door Paul Th. Kok te lezen. In dit artikel, dat verscheen in Armoede in Nederland (2001), probeert de schrijver het beeld van ‘afwijkende normen en waarden, waarvan een hoog alcoholgebruik en onzedelijk gedrag’ te nuanceren. Ik citeer: “Door daarnaast de afwijkende waarden en normen van armen ook op andere terreinen te benadrukken, kon het gehele probleem van de armoede afdoende verklaard worden: armoede was de schuld van de armen zelf. […] Volgens Hintzen (voorzitter van de particuliere armenzorgvereniging ‘Verbetering van Armenzorg’ te Rotterdam) had elk mens de plicht om zonder hulp van derden te zorgen voor zichzelf en de zijnen. Nu, zo stelde hij, wist iedereen die met de praktijk bekend was dat juist deze verplichting ‘vooral bij de armsten en zedelijk weinig ontwikkelden’ werd veronachtzaamd. Daarom was het geen goede plossing dat ‘wij (rijken) veel van ons bezit afstaan de armen. (…) De overgrote meerderheid van de behoeftigen met haar geringe veerkracht, haar kwalen, haar gebreken en haar zedelijk verwording is dan ook door armenzorg alléén niet op te heffen.’ Met een dergelijk negatief beeld van de arme op zak kon men zijn geld in de beurs houden. […] De sociale en in toenemende mate ook geografische scheiding tussen arm en rijk maakte het voor personen, in meerdere of mindere mate riant zetelend boven de armoedegrens, blijkbaar moeilijk om door de ellende van de materiële armoede heen te kijken. Waar woning en kleding er beroerd uitzagen, trokken tijdgenoten de conclusie dat het met de moraal van de armen niet veel beter gesteld zou zijn. De materiële armoede werd dus beeldbepalend.
Historisch onderzoek naar de lotgevallen van de armen is er weinig verricht. Het beeld dat we bij de meeste historici van de armen tegenkomen verschilt maar weinig van dat van de tijdgenoten van de armen en dat is geen wonder, want in de meeste gevallen schreven de historici de uitlatingen van gegoede tijdgenoten letterlijk over. Dat geld bijvoorbeeld voor Brugmans (die spreekt over blind fatalisme en dweepzucht) en voor Lis, Soly en Van Damme die wijzen op het massale alcoholgebruik, op het uitgeven van geld aan overbodige zaken en op de criminaliteit die in grote mate onder de armen zou voorkomen. Deze verschijnselen wijzen volgens hen op het bestaan van een geheel eigen levenswijze van de onderste sociale lagen der bevolking, die gericht was tegen de cultuur van de maatschappelijke bovenlaag.
Niet alleen historici gingen uit van een foutieve beeldvorming. Ook antropologen en sociologen droegen hun steentje bij. De bekendste opvatting is die van de in 1970 overleden Amerikaanse antropoloog Oscas Lewis. Het negatieve beeld dat veel gegoede burgers in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw van de armen hadden, vond een wetenschappelijke variant in de door hem geponeerde culture of poverty. Volgens deze benadering leefden armen bij de dag en kwamen prostitutie, drankverslaving, echtscheiding en verlating veelvuldig onder hen voor. […] De overeenkomst tussen de opvattingen van tijdgenoten, historici en die van Lewis is duidelijk en betreft het vermeende gebrek aan zelfbeheersing bij armen.”

Over de organisatie van de armenzorg rond 1900 vertelt Kok het volgende: “Landelijk bepaalden de Armenwetten van 1854 en van 1912 het toneel. Deze hadden betrekking op slechts een deel van de armenzorginstellingen: alleen die uitgingen van gemeentelijke armenzorginstellingen. […] De wet van 1854 was de eerste landelijke armenwet, gebaseerd op wat het sociale angstmotief is gaan heten: armen kregen steun om ze af te houden van diefstal en bedelarij. Zo poogde men de sociale orde te handhaven. De nieuwe wet [van 1912] maakte een veel royaler gemeentelijk beleid mogelijk en betekende weinig minder dan een revolutie op sociaal terrein. Volgens de wet mocht nu net zo veel steun worden gegeven als een gezin nodig had voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Een soortgelijke omschrijving staat nog steeds in de (nieuwe) Bijstandswet.”

Het ‘gebrek aan zelfbeheersing’ komt even later weer aan bod: “De armbezoekers wezen vaak op gezinnen die, hoe goed ze ook hun best deden, er niet in slaagden de premiebetaling vol te houden. Het was dan de diepe armoede die dit onmogelijk maakte, niet een vorm van ‘losbandig bestedingsgedrag’. […] Uit het feit dat ook de allerarmsten er elke week opnieuw in slaagden een kwartje over te houden om te premie van het begrafenisfond te betalen, blijkt dat zij deze burgerlijke deugd van de ‘zelfbeheersing’ beter dan welke bevolkingsgroep ook aanhingen.”

Nieuwsgierig naar het hele artikel? Klik dan hier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *