Onderzoek doen naar woonwagenbewoners

Afgelopen maandag leverde ik de eerste versie van mijn bachelorscriptie in en dus studeer ik deze lente eindelijk af. Aangezien ik komend studiejaar nog even niet aan een masteropleiding begin, zal ik voorlopig genoeg tijd hebben voor mijn familieonderzoek. En daar zal ik op een bijzondere manier gretig gebruik van gaan maken.

Gedurende mijn bacheloropleiding ben ik me namelijk steeds meer gaan interesseren in de Nederlandse geschiedenis en in het bijzonder mijn eigen familiegeschiedenis. Tijdens de masteropleiding die ik op het oog heb, Maatschappijgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit, wil ik om die reden onderzoek doen naar de beeldvorming en identiteitsconstructie van ‘autochtone’ woonwagenbewoners in geschreven en gesproken taal.

Er is weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar zowel woonwagenbewoners als het Bargoense taalgebruik. Veel verder dan Leo Lucassen, Annemarie Cottaar, J.G.M. Moormann, Enno Endt en Ewoud Sanders komen we bijna niet. Dit zie ik overigens niet als een hindernis maar juist als iets dat in mijn voordeel zou kunnen werken.

Het geval wil namelijk dat men meestal in negatieve termen spreekt over woonwagenbewoners en de ‘taal’ die zij gebruikten en nog steeds gebruiken. Woorden als boeven, criminelen of misdadigers komen altijd wel een keer voorbij, en dat terwijl ik die associatie niet heb.

In ‘Bargoens, een ‘taal’ met vele namen’ van Paul van Hauwermeiren las ik daarnet een mooie en naar mijn idee meer kloppende beschrijving. Ik citeer: “Het woord Bargoens schrijven we met een hoofdletter omdat we het beschouwen als een eigennaam, nl. als de naam van een taal, hoewel het Bargoens allerminst een volledige taal is in de technische zin van het woord: het heeft o.m. geen specifieke woordvolgorde, buiging of uitspraak. Het is veeleer de bijzondere woordenschat van meestal ambulante en soms criminele marginalen. Aanvankelijk werd het Bargoens vooral gesproken door allerhande soorten onmaatschappelijken (zoals vagebonden, malafide bedelaars, marskramers, rondtrekkende charlatans en speellieden). Later werd het ook de groeps- en geheimtaal van op buit beluste criminelen (vooral dieven en hoeren) en armoedzaaiers met een ambulant beroep (bijv. venters en rondtrekkende handwerkers). Het Bargoens van al deze mensen bestond hoofdzakelijk uit een paar honderd niet algemeen gebruikelijke woorden, die betrekking hadden op hun leefwereld, bijv. op lichaamsdelen en -functies, eten en kleren, stelen, bedelen en bedriegen, handel en geld, vermaak, drank en prostitutie, vechten en politie.”

Ik schreef al meerdere keren over bovenstaande onderwerpen, maar heb zin om me er nóg meer in te gaan verdiepen.

Bovenstaande foto is in 1954 genomen door Dolf Kruger. Ik vond deze hier en hier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *