“Ik denk met een warm gevoel terug aan de familie.”

Het is een bijzondere donderdagochtend. Om tien uur ontmoet ik namelijk de 91-jarige kleinzoon van Arend Kroonen, de broer van mijn overgrootvader Casparus. Nadat hij de voordeur geopend heeft, staat Arend de Kok (1926) letterlijk met zijn armen open. “Welkom!”, roept hij opgewekt. Hij is klein van stuk, doch groot van geest. Ik voel me meteen op m’n gemak.

Hoe heetten uw ouders precies?
“Jacob Cornelis de Kok en Maria Magdalena Kroonen.”

En wat waren hun roepnamen?
“Jaap en Marie.”

Met welke familie ging u meer om? Kroonen of de Kok?
Overtuigd: “Kroonen! Ik ben vernoemd naar mijn opa, hè?”

Dát had ik natuurlijk al opgemerkt.
“Haha!”

Zag u uw grootouders vaak?
“We woonden boven het café van mijn vaders ouders, De Meierijsche Kar op de Bleijenhoek, en ondanks dat weet ik weinig over de familie de Kok. Intiem waren we met de Kroonens, die om de hoek een slagerij hadden. Daar kwamen we dagelijks, soms wel meermaals per dag.”

Uw ouders woonden dus allebei in de Bleijenhoek. Kregen ze verkering doordat ze elkaar uit de buurt kenden?
“Ja, dat klopt.”

Leken de families van uw ouders op elkaar? Of waren zij ieder van een andere stand waardoor er misschien discussies of zelfs ruzies ontstonden?
“Nee hoor, er waren nooit discussies in de familie. Ze waren ook helemaal niet streng. Het waren beide middenstandsgezinnen. Mijn vaders ouders runden een café, mijn moeders ouders een slagerij. Dus er was niets aan de hand.”

Hoe zou u de familie Kroonen verder willen omschrijven?
“Lief, warm en deftig. Ik denk met een warm gevoel terug aan de familie. Mijn broer Dirk en ik werden erg verwend.”

Kreeg u dure cadeaus?
“Ja, in de werkplaats van de slagerij mochten we voordat het Sinterklaas was, een gele klomp met stro neerzetten. ’s Morgens lag er dan al snoep in. En ik denk dat ik een jaar of 11, 12 was toen we voor Sinterklaas een projector kregen. Van ooms en tantes kregen we films om af te draaien. Sinterklaas was een echte happening met mooie cadeaus. Daarnaast legde mijn moeder het hele jaar door geld opzij zodat ze op haar eigen verjaardag alle kinderen en kleinkinderen kon meenemen naar de kermis, en dan betaalde ze álles.”

Het interview gaat verder onder de foto.

Arend Kroonen en zijn vrouw Magdalena
Elizabeth Versteeg wandelen door het park.

Ik ben verbaasd dat de familie het financieel zo goed had, want mijn opa is in bittere armoede opgegroeid.
“Ja, maar jouw overgrootvader dronk het geld op.”

Dat heb ik inderdaad begrepen. Om die reden had mijn opa ook zo’n ontzettende hekel aan alcohol.
“Ik heb altijd het idee gehad dat opa Arend om die reden een beetje afstand deed van zijn broers. Naast Cas dronk ook Wout veel, waardoor ze door de familie werden gezien als armoedzaaiers.”

Ongelooflijk, dat verschil.
“Inderdaad, want mijn ooms en tantes zijn allemaal goed terechtgekomen. Doordat mijn grootouders een slagerij hadden, kwamen hun kinderen in betere situaties terecht en trouwden ze met goed bedeelde partners. Ze werkten bijvoorbeeld in overheidsdiensten en op het kantoor van Philips.”

Werkte u zelf ook op kantoor?
“Ja, maar het was eigenlijk de bedoeling dat ik de slagerij zou overnemen.”

Waarom gebeurde het dan niet?
“Tijdens de oorlog werd ons huis gebombardeerd. In deze woning boven het café van mijn grootouders sliepen mijn broer en ik op de bovenste verdieping. Op de eerste verdieping lag mijn moeder in het kraambed, net bevallen van mijn zusje Ria. Mijn vader was niet thuis, want hij moest de kraamverzorgster thuisbrengen. Over twaalven hoorden we de bommenwerpers boven ons huis vliegen en zagen toen ineens een enorme vuurwolk. Mijn broer en ik renden door het stof naar beneden, naar mijn moeder die nog in het kraambed lag. “O, kijk! Hij bloedt!”, schreeuwde ze toen ze me zag.”

Jeetje…
“Voordat de kraamverzorgster vertrok, had ze de pasgeboren baby nog even bij mijn moeder in bed gelegd. Als ze dit niet had gedaan, had mijn zusje het niet overleefd. De bommen hadden namelijk het ledikant van Ria geraakt.”

Maar u bloedde dus.
“De huisarts kwam meteen naar ons huis. Hij keek naar mijn borst en constateerde dat ik door een schampschot was geraakt. In een ziekenwagen werd ik naar het ziekenhuis gebracht. Vreselijk benauwd had ik het. Er werden foto’s gemaakt van mijn borst, nooit van mijn leven zal ik het vergeten. Ik kon niet aan adem komen en raakte vervolgens in coma. Waar ze me naartoe hebben gereden, ik weet het niet. Dagen erna kwam ik weer bij kennis en lag ik vervolgens negen weken in het ziekenhuis. Ze dachten dat ik het niet zou overleven, maar ik ben er nog steeds.”

En hóe!
“De scherf ging door mijn long en bleef bij mijn hart steken. Hij zit er nog steeds.”

Hè?! Wat bedoelt u?
“Dat die scherf er nog steeds zit, te gevaarlijk om te verwijderen. Hij is drie centimeter groot. Mijn lichaam heeft ‘m helemaal ingekapseld en de scherpe kantjes doen niets meer.”

Wat een verhaal. Hier kwam ik eigenlijk helemaal niet voor!
“Haha! Ik heb er geen last meer van, hoor. Allang niet meer. Maar na de gebeurtenis stond ik twee jaar lang onder controle, en streng ook. Tot 1946 heb ik last gehad van ademhalingsstoornissen. Nadat deze overgegaan waren, heb ik er nooit meer last van ondervonden.”

Het interview gaat verder onder de foto.

Maria Elizabeth Versteeg voor de deur
van de slagerij aan de Riedijk 8.

Even terug naar de slagerij, als u het goed vindt.
“Ja hoor, wat wil je nog meer weten? Ik heb geen geheimen.”

U vertelde al dat u in de slagerij kwam.
“Ja, iedere dag voor een stukje worst, haha. Na schooltijd gingen mijn broer en ik ook altijd even langs bij tante Nel, die nooit trouwde en om die reden bij opa en oma bleef wonen. Tante Nel vrijgezel, zoals we haar noemden, gaf ons dan een boterham met roomboter en basterdsuiker. En dat witte brood was warm, want toentertijd kwam de bakker nog aan de deur.”

Wat kunt u vertellen over het pand?
“De deur stond letterlijk open. Je liep zo de slagerij in, richting de keuken, waar alles gebeurde. Daarachter zat de slaapkamer van opa en oma Kroonen. Zij sliepen dus achter hun winkel. Als je doorliep kwam je in de werkplaats waar de worst gemaakt werd. Het was dus een heel diepe woning.”

En wie werkten er in de slagerij?
“Elke maandag ging opa naar de markt in Rotterdam om vee te kopen. Dan had hij een hoge hoed op. In de slagerij sneed hij de grote stukken, dat zag ik altijd. Oma stond achter de toonbank, sneed worst en hielp de klanten. Ondertussen brachten de knechten de bestellingen rond. Gerrit de Vries heeft later de zaak overgenomen, want ome Henk wilde het niet.”

Waarom wilde ome Henk dat niet?
“Hij kreeg verkering met een meisje, dat in Papendrecht woonde. Haar ouders hadden ook een slagerij en dat vond ze verschrikkelijk. Hierdoor ging Henk een boekhoudcursus volgen om vervolgens meteen te slagen voor zijn staatsdiploma. Dus toen opa Arend in 1945 overleed, zette niet Henk maar Gerrit de slagerij voort.”

Was Gerrit een van de knechten?
“Ja. Hij kocht de zaak over en ik weet nog dat hij een flink bedrag moest betalen voor het recept van de gekookte worst.”

Was deze zo bijzonder dan?
“Als je oudere mensen spreekt en over de slagerij van de Kroonens aan de Riedijk begint, dan zeggen ze meteen: “O, die van de verse worst!” Opa stond bekend om zijn gekookte worst.”

Wist u dat de slagerij eerst van Arends vader Wouter Hendrik Jacobus was?
“Echt waar? Dat heb ik nooit geweten. Maar er werd vroeger weinig gesproken over persoonlijke dingen.”

Heeft u hem wel gekend? Want uw overgrootvader is erg oud geworden en overleed pas in 1944.
Denkt eventjes na en zegt dan: “Nu je het zegt. Ik herinner me ineens dat ik een keer samen met mijn opa een bejaarde man in het oudemannenhuis aan het Bagijnhof heb bezocht. Waarschijnlijk was dat dan mijn overgrootvader.”

Heeft u mijn overgrootvader Casparus wel gekend?
“Cas zag ik weleens bij mijn opa thuis, maar de broers hadden weinig contact met elkaar. Ik denk dat jouw overgrootvader eens in de paar maanden op visite kwam. Wout kwam vaker langs.”

U heeft mijn opa Leendert Kroonen waarschijnlijk nooit gekend.
“Nee, dat klopt.”

Mijn opa vertelde altijd zonder religie te zijn opgevoed. Voor die tijd vind ik dat vrij bijzonder. Bezocht de familie Kroonen inderdaad geen kerk?
“Alle Kroonens van onze familie zijn gedoopt in de Nederlands Hervormde Kerk, maar ze bezochten hun Augustijnenkerk inderdaad nooit. De dominee kwam wel regelmatig bij opa Arend langs, want dat wilde hij graag. De familie was dus wel enigszins religieus, maar deed er verder feitelijk niets aan.”

Toch ben ik nieuwsgierig geworden naar het interieur en de sfeer van de Augustijnenkerk. Nu ik weet dat de Kroonens hun kinderen daar lieten dopen, zou ik graag een bezoekje willen brengen. Op de website lees ik dat de kerk op diverse momenten geopend is voor bezichtiging, maar zouden ze daar ook weten of mijn overgrootouders hun drie zoons daar lieten dopen? Zodra ik weer in Dordrecht woon, ga ik op onderzoek uit.
“Kom eens aan als je hier weer woont.”

Doe ik.
“Echt doen, hè? Want je bent tenslotte familie.”


De hele familie tijdens een uitje op de Stoopbank in de Biesbosch ter gelegenheid van het 40-jarige huwelijk van Arend Kroonen en Magdalena Elizabeth Versteeg. Linksonder zit Arend met naast hem dochter Nel, achterin staat Magdalena in een bolletjesjurk. Rechts van “tante Nel vrijgezel” zit Arend de Kok met stropdas, de jongen die onderuit gezakt ligt is zijn inmiddels 93-jarige broer Dirk.

Reacties op “ “Ik denk met een warm gevoel terug aan de familie.” ”
    1. Wat een mooi compliment, dankjewel! Ik geef toe, het smaakt naar meer. De ontmoetingen en interviews brengen mijn familiegeschiedenis pas écht tot leven. Heel bijzonder om mee te mogen maken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *