‘t Dordtse dialect 3/3

“Sommigen schijnen zich […] voor hun dialect te schamen. Dat is volkomen overbodig; het kleurlooze Nederlandsch, het zg. Algemeen Beschaafd, verdient heelemaal geen aanbeveling en is voor taalstudie heel weinig waard”, aldus gemeente-archivaris Jan van Dalen in 1931 in zijn boek Geschiedenis van Dordrecht.

WOORDEN, NAMEN EN UITDRUKKINGEN
Al poep je nie, dan rus je toch en komp de baas, dan poep je nog
verontschuldigende uitdrukking, gebezigd wanneer een werknemer naar het toilet gaat om even uit te rusten
Al sprong d’n onderste steen bove
al moest de onderste steen boven komen
Allemaggies
allemachtig
Arrogant
in de betekenis van irritant
(“‘k vin ‘m maar ’n arrogant ventjie!”)
z’n Bek maar ’n douw geve
vertellen waar ’t op staat zonder eerst na te denken
Bekant
bijna; bijkans
Benijje, beneej, beneje
beneden
Danet
zojuist; daarnet
Daro!
daar!
Deus
gestoord persoon
(“daar lôôp wir zo’n deus”)
Dingchie, dingsie
dingetje
Eng
zich niet lekker voelen; misselijk, duizelig zijn
(“‘k voel me vandaag toch zó eng”)
Gelukspiemel
bofkont
Hassewassjie
akelig persoon; nietsnut
Hellepe
water geven
(“‘k hep gistere de plante nog gehollepe”)
Hoe meer je in de stront roer, hoe harder ze ga stinke
probeer geen onaangename zaken uit te pluizen
Hompedôôs
eigenaardig dik vrouwspersoon
Hôôd over bol, hôôf over bol
hals over kop
Jonchie
jongetje
Knorre
winden laten
Knurfie, knurft
vrijer; ventje
Krenteschijterd
schijtluis; hobbezak
Kwajjer, kwajjere
spuug, spugen; rochel, rochelen
Liegbast, liegbas
liegbeest; leugenaar (bast is lichaam)
Louw
leuk; fijn; jofel
(“’t is toch zo’n louwe vent”)
Ouchie
oudje (troetelnaam)
Plompzak
dik wijf; hobbezak
Prakkie
’n kleine hoeveelheid van iets
(“geef me dâ prakkie boeke ’s”)
’t zal me m’n Reet roeste!
’t laat me koud
Schendvlek, schandvlek
iemand die over iedereen scheldt; roddelaar
Schreuffie
oud, krom lopend vrouwtje; oud voorwerp; stukje verbrande steenkool
Slaai
sla; salade
Sloeiwater
vieze of slappe koffie
(ook: bakkie slootwater)
Stiechel
uitgekookt, gewetenloos persoon (‘smiecht’)
Teer op!, tief op!
donder op!; krijg de tering!
(teer is tering, tuberculose)
Waro?, wazo?
waar
Wous
vreemd figuur; snoeshaan

Bron: Sibrand de Grauw en Gerard Gast. Dordtse woorden, uitdrukkingen en dialect (1991).

Hoofdfoto: ‘Wijnstraat.’ © Regionaal Archief Dordrecht (bron)

Reacties op “ ‘t Dordtse dialect 3/3 ”
  1. Het scheldwoord “wous” doet sterk denken aan het Midden- en Oost-Brabantse ‘koekwous”. Leuk dat bepaalde uitdrukkingen ook in andere plaatsen en streken voorkomt

Laat een reactie achter op Leo Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *