‘t Dordtse dialect 2/3

“Korsemis zeggen de Dordtenaren tegen Kerstmis. Fabriek wordt febriek. De w wordt soms een v, zoals in ‘Mervelande’. Andere typeringen: petoffel, petret, pussíes (precies), twaluf, arebeie, wérrukke. We zeggen ook: ombegrèpeluk tegen onbegrijpelijk. ‘Smaller’ wordt smalder en ‘kleiner’ steeds kleinder. As er iemand is gestorreve gaan we rije na de kerruk, maar híj komp t’r nie binne, nun kwajen aap (bij voorkeur niet twee medeklinkers achter elkaar uitspreken).”

“Voorbeelden van samentrekkingen: bè-je gekkies; wâ wi-je (wat wil je); wâ mò-je (wat moet je); kè-je die; ’t sta-sjón is hémaal (helemaal; helegaar) nie ver van ’t pliessieposjie; ‘k ga ma wir ’s op huis an, anners…; de sieretteboer verkôôp ok pijpies; hoest mè-me? (hoe is het met je?); daluk doe ‘k t’r ’n luur om (straks doe ik haar een luier om); wat hettie? kwénie; straks hekket op en dan ken ‘k na me nes; tettattenoumeetemake?!; wacheffe; wáffurre? (wat voor een?).”

Uitgangen en klemtonen
We zeggen: kooltie, zieltie, kwaaltie, steeltie, schuurtie. Bij korte klinkers: schollechie, brillechie, jongchie, dingchie, ballechie, bruggie, pennechie en prullechie. Een kind was een ‘kinnechie’ en een baker of voedster een ‘minnechie’. Uitzonderingen: tarechie (taartje) en karechie (kaartje). De uitgang -tjie heeft bij de korte klinker-woorden meer de voorkeur: dotjie (kleine hoeveelheid), spatjie (borreltje).”

“De uitgang -je wordt -ie: boekie, pakkie, kaaisie; of -jie: plantjie, karretjie, bloedjie (kindje; keendje in ’t Dordts). De -tje wordt -ie in bijvoorbeeld kleutertie en dubbeltie.”

“Klemtonen: de Dordtenaar zegt Spuiwég, maar ook Rééweg. Zo ook: Ríedijk, in tegenstelling tot Krommedíjk. Als iemand het heeft over de ‘Grótekerk’, zal hij waarschijnlijk niet uit Dordt komen. Wij zeggen: Grotekérk en Grotekerksbúúrt.”

Werkwoorden
Liggen wordt: legge (“hij leg te pitte”). Het werkwoord liggen kent het Dordts niet. Leggen wordt: ‘leie’ (de kip lei ’n ei, ze leg op ’t ei). Lei ’t ei maar op tafel. Hij lee ’t ei dus op tafel. Hij heit ’t op tafel geleid (geleed, gelege), want dâ heit ze gezeid. Dâ hei-je toch gezeid, hé?! […] Hij komt wordt: hij komp. Hemme dâ wel nodug? Wimme dâ wel? Lamedammadoen. Maar ‘kep ’t nie gewouwe dâ we ’t mosten doen! Hébbiem?”

Daarnaast gaven de twee heren een opsomming van karakteristieke vervoegingen in het Dordts van een aantal sterke werkwoorden: gewis (geweest), gebreje (gebreid), gebroch (gebracht), gedors (gedurfd), gedwele (gedweild), geörreve (geëerfd), gekanne (gekund, gekend), gemagge (gemogen), gerole (geruild), gescheje (gescheiden), gevrote (gevreten), gezeje (gezegd).

Bron: Sibrand de Grauw en Gerard Gast. Dordtse woorden, uitdrukkingen en dialect (1991).

Hoofdfoto: ‘Even achter de paardentram ter hoogte van de Schrijversstraat de Bonefatiuskerk en rechts de hoek met de Nieuwbrug.’ © Regionaal Archief Dordrecht (bron)

Reacties op “ ‘t Dordtse dialect 2/3 ”
  1. Wat geweldig om ” je moers taal” zo duidelijk tegen te komen en precies te weten wat er mee bedoelt wordt… bedankt!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *