’t Bargoens volgens Enno Endt 2/3

“Het gebied der zuidelijke Nederlanden was en is een trefpunt van verschillende talen, Frans en Duits en ‘Diets’, en werd in deze tijd nog bovendien door Spaanse huurlegers bezocht, doorzworven door de afgedankte huursoldaten. Dauzat geeft als een andere ontstaansvoorwaarde van Bargoens aan: de meertaligheid.” [p. 14]

“Het identificeren hiervan is biezonder moeilijk, en beslist niet mogelijk zonder kennis van het eigen etymologisch procédé, dat bij het associëren van betekenissen en verbasteren van vormen werkzaam is. Huidige woorden, onbetwist afkomstig uit Zigeuners, die ook voorkomen in de oude bronnen, zijn bijvoorbeeld bink (man, met talrijke betekenisschakeringen), joekel (hond) en mollen (vermoorden).” [p. 16]

“Moormann duidt met Bargoens niet éen taal aan, maar de verzameling van zwerverstalen, die door onmaatchappelijken gesproken, en soms voor geheimhouding gebruikt worden. De talen dus van woonwagenbewoners, voorzover zij geen zigeuners zijn. Die talen hebben volgens hem een tien procent aan — meestal oude — woorden gemeenschappelijk. Hij onderscheidt dan allereerst vier groepen: A de Vlaams-Brabantse groep, met vrij wat Franse invloed en met productief suffix -erik; B de groep in Nederlands en Belgisch Limburg; C de dieventalen van de westelijke grote steden, vol met Joodse woorden; D de groep der ‘Saksische’ gebieden, eveneens met sterke Joodse, maar nu ook Zigeunerinvloed.” [p. 26]

“Het zal ons duidelijk laten zien, dat het Bargoens zich heeft vervlochten met de volkstaal, sinds de sprekers, de aloude ‘boeven’, de metropolos als werkterrein verkopzen en het vroegere isolement der zwervenden verloren ging.” [p. 29]

“Het wordt daardoor begrijpelijk, dat weinig minder dan een derde van de woorden die Köster Henke bijeenbracht, Jiddisch zijn van oorsprong. Bij zo’n groot aantal moet het mogelijk zijn, de plaats en houding van de samensteller te bepalen. Nu is het merkwaardig, dat hij slechts bij de verklaring van koefnoen met zoveel woorden toont, het Joodse element te onderkennen: ‘Twee Hebreeuwsche letters, K en N, gebruikt voor kost niets’. […] Maar zelfs bij woorden die een specifieke zaak uit Joods milieu aanduiden, en waarbij een overdracht naar ruimere toepassing moeilijk plaats kon vinden, legt Köster Henke geen enkele nadruk.” [p. 42]

“Intussen heeft de Algemeen-Beschaafdsprekende lezer van dit opstel ontgewtijfeld al veel woorden die ter sprake kwamen, als bekend gesignaleerd en zich afgevraagd of dit nu werkelijk ‘boeventaal’ genoemd moet worden. Wij zien iemand die kapoeres, pienter, sloom of flauwe kul in de mond neemt, toch niet voor een ‘jongen van de vlakte’ aan?” [p. 45]

“Ook nu gebruik ik dit bekend veronderstelde feit alléen, om aan te geven dat met zogenaamd plat praten ook lexicografisch allerlei verschijnselen samengaan. Er is een woordenschat die het uitsluitend eigendom is van het handarbeidend, neringdoende volk. Sprekers van het Algemeen Beschaafd gebruiken als zij hun milieu representeren voor hun kinderen niet koters, voor geapprecieerde zaken of personen niet kedin of tof of jofel, voor gevaarlijk or riskant geen link; bedriegen, voor de gek houden, kan in de maling, maar niet in de veilig nemen zijn. Zij kènnen ponum, joekel, gozer, meier, joetje, knaak en lammetje, eventueel; maar dat is passief taalbezit.” [p. 45]

“Nu is de afstand tussen onontwikkelden en ‘rijkdom’ sterk verminderd in de afgelopen halve eeuw. Daarmee is de volkstaal meer bekend geraakt bij hen die met Algemeen Beschaafd zijn opgevoed en opgeleid.” [p. 46]

“Er blijven evenwel bij Köster Henke woorden, die voor ons beslist geen volkstaal zijn. Pienter, piekeren, stiekem, bivakken, branie, engert, disch, ree, smikkelen, sein, toet, sloom, keilen, knul, tronie, lurven, mep, lijntrekken… Bij enkele zal ons woordenboek misschien opgeven ‘spreektaal’, maar een ieder die de pap met zilveren lepel is gevoerd kent deze woorden toch.” [p. 47]

“Het indelen van woorden naar sociaal niveau blijft al met al een hachelijke zaak. Ieder woord heeft immers een geschiedenis, vaak maar zeer ten dele met die van onmiddellijke soortgenoten parallel.” [p. 48]

“Taal is communicatiemiddel. Zij is nooit van éen mens het volstrekt en enig eigendom; en van een groep van mensen, duidelijk afgeschieden van de anderen, bíjna nooit.” [p. 49]


‘Woonwagenbewoners. De leefomstandigheden in het woonwagenkamp in de Molenkom in Arnhem zijn slecht. Het gehele kamp is een grote modderpoel en de hygiëne is ver te zoeken’, ±1923. • © Spaarnestad Photo

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *