‘Namaak-zigeuners’ en ander tuig

Doordat ik mijn betovergrootvader Cornelis Hartogs in de gevangenisregisters tegenkwam, simpelweg omdat hij een woonwagenbewoner was, werd ik nieuwsgierig naar de regels die de Nederlandse overheid destijds handhaafde. Ik verbaasde me er namelijk over dat men blijkbaar helemaal niet in een woonwagen mocht wonen.

Andere Tijden maakte in 2000 een aflevering over woonwagenbewoners. Deze begint als volgt: “Goedenavond. Woonwagenbewoners wekken wantrouwen. Zo is het en zo is het altijd geweest. Alleen de eerste jaren dat ze in ons land werden gesignaleerd, zo rond 1870, bekeken burgerij en overheid ze ogenblikkelijk als een probleem. Veroorzaakten ze geen overlast? Was de hygiëne in die woonwagens niet ver onder de maat? En hoe zat het met de moraal als ouders en kinderen, jongens en meisjes daar samen sliepen? Wie deze mensen van de reis nu eigenlijk waren, wist intussen haast geen mens. Men zag ze als zigeuners en dat waren sommigen ook, Roma en Sinti, maar er waren ook zogeheten burgers bij die pas sinds kort waren gaan reizen. […] Ze waren vooral ongrijpbaar en dat is misschien wel de kern van het probleem. Dat reed maar rond, dat leefde maar raak. Dat kon zomaar niet. En daarom zocht de overheid hardnekkig naar manieren om het woonwagenleven in te dammen. Zonder veel succes aanvankelijk, want het aantal woonwagenbewoners nam in de 20e eeuw alleen maar toe.”

Op de website van Andere Tijden las ik verder het volgende: “Er zijn altijd mensen geweest die door het land zwierven. Voor een gedeelte zijn dat handelsreizigers, stoelenmatters, ketellappers, kermisreizigers, op zoek naar nieuwe afzetgebieden en klanten. […] In de negentiende eeuw trekken de zogenaamde ‘reizigers’ of ‘zwervers’ nog van hotel naar logement of van schuur naar hooiberg. Pas halverwege de eeuw komen er wagens zodat het gezin en de inboedel mee kan. […] Rondtrekkende Nederlanders hebben nooit in een goed daglicht gestaan. Voor de overheid is het een groep waar weinig vat op is te krijgen. […] In 1918 wordt in de Wet op Woonwagens en Woonschepen voor het eerst een poging gedaan om het ongeregelde leven in banen te leiden. Er worden eisen gesteld aan de omvang en de kwaliteit van de wagen. Op grond hiervan krijgen de eigenaren een vergunning. Met het vergunningenstelsel hoopt de overheid het aantal wagens terug te dringen. Het beleid heeft echter niet het gewenste effect. […] Zigeuners voelen zich een aparte groep onder de reizigers en worden door de buitenwereld ook zo gezien. In feite is de groep heel divers van samenstelling.”

Hieronder twee prachtige foto’s van de website Geheugen van Nederland. Ik kan het me nauwelijks voorstellen dat de beginjaren van mijn oma’s leven er zo uit hebben gezien. Tegelijkertijd vraag ik mezelf af: komt het door dit stukje familiegeschiedenis dat ik zo graag in een tiny house wil wonen? Wie zou het zeggen.


‘Woonwagenbewoners. Een woonwagenkamp/woonwagendorp aan de Binckhorstlaan in Den Haag. De vrouwen doen bij de groentenboer hun inkopen voor het middagmaal. Foto 1921.’ © P. van Tol / Spaarnestad Photo (bron)


‘Woonwagenbewoners. Een woonwagenkamp/woonwagendorp aan de Binckhorstlaan in Den Haag. De vrouwen maken even plezier met de kleine kinderen, terwijl een bewoner een deuntje op zijn accordeon speelt. Foto 1921.’ © P. van Tol / Spaarnestad Photo (bron)

In ‘Beelden van reizigers. Woonwagenbewoners in Nederland’ (pdf-bestand te raadplegen via Woonwagenwijzer) wordt gesproken over ‘de strijd tegen onmaatschappelijkheid (1918 – midden jaren 60)’: “Tot 1918 is het beleid vastgelegd in (verschillende) gemeentelijke verordeningen. Vaak hebben die als voornaamste doel de woon- wagens zo snel mogelijk weer buiten de gemeentegrenzen te krijgen. […] Als in 1918 de eerste Woonwagenwet van kracht wordt, zijn daar tientallen jaren van discussie aan vooraf gegaan. De wet legt de eisen vast waaraan de woonwagen en de bewoners ervan moeten voldoen. De wagen moet voorzien zijn van een kenteken en een (zichtbare) woonvergunning van de Commissaris der Koningin. […] De nieuwe wet maakt een eind aan de vrijheid om de wagen overal neer te zetten, maar ook aan het opjagen en wegpesten. […] De wet verplicht elke gemeente dan ook om een terrein in te richten waar woonwagens kunnen staan. In de praktijk zijn dat tot diep in de jaren vijftig vaak afgelegen modderige terreinen zonder elektriciteit, riolering of stromend water.”

Door alle ophef die er destijds blijkbaar heeft bestaan, werd ik nieuwsgierig naar wat de kranten over woonwagenbewoners schreven, en dus raadpleegde ik Delpher. Hieronder volgt een klein overzicht van de mooie vondsten die ik heb gedaan.

De Telegraaf, 19 april 1917 (bron)

Nieuwsblad van Friesland : Hepkema’s courant, 28 augustus 1917 (bron)

De Tijd: Godsdienstig-staatkundig dagblad, 14 maart 1918 (bron)

Algemeen Handelsblad, 07 februari 1919 (bron)

Limburgsch dagblad, 07 mei 1934 (bron)

Limburger koerier, 20 maart 1941 (bron)

De Tijd: Dagblad voor Nederland, 25 november 1972 (bron)

Nederlands dagblad: Gereformeerd gezinsblad, 21 november 1979 (bron)

Leeuwarder courant, 21 november 1990 (bron)

Zie voor meer informatie de website van Vijfeeuwenmigratie, die aandacht schonk aan zigeuners en woonwagenbewoners.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *